Home
Zoeken op onderwerp
Bedrijf & Organisatie
Home  > Bedrijf & Organisatie > Nieuws  > Blog > Bodemverschraling tegengaan met compost

Bodemverschraling tegengaan met compost

Soms kunnen we het met zijn allen eens zijn en toch nog niet echt verder komen. Een mooi voorbeeld vind ik de toepassing van gft compost om de Nederlandse bodem blijvend vruchtbaar te houden. We vinden het allemaal een mooi verhaal dat:

  • Consumenten hun gft apart laten inzamelen en daarmee minder restafval laten verbranden
  • dat van dat gft groen gas en bodemverbeteraars worden gemaakt
  • dat hierdoor de bodem verrijkt wordt zodat ook de komende generaties gezond voedsel kunnen verbouwen
  • en er ook in de toekomst gas is om dit voedsel op te koken.

Een mooier voorbeeld van een nu al werkende circulaire economie die draait op duurzame energie is volgens mij nog niet te vinden. Toch staat dit voorbeeld van de circulaire economie onder druk. Niemand wil dit voorbeeld afremmen, maar toch gebeurt dit door beperkende wet- en regelgeving. gft-compost telt namelijk mee in de mestboekhouding van boeren waardoor het maar beperkt mag worden toegepast. En dat terwijl de Nederlandse gemeenten er met hun burgers van alles aan doen om de gft-inzameling te verdubbelen om daarmee de hoeveelheid te verbranden restafval met veertig procent te reduceren.

De Nederlandse bodem verschraalt

De Nederlandse bodem degenereert. Heel langzaam neemt het organische stofgehalte af. Een sluipmoordenaar, noemt Hans Huijbers dit proces. Hij is voorzitter van ZLTO, de Zuidelijke Land- en Tuinbouworganisatie, ambassadeur Bewust Bodemgebruik en melkveehouder in de Kempen. In de tijd van zijn grootouders was dit nog anders. “De boeren uit die tijd hadden een intrinsieke motivatie om de bodem beter te maken. Ze voegden  organische stof toe, zodat volgende generaties daar de vruchten van zouden plukken. Een bodem vruchtbaar maken kost veel tijd, tussen de twintig en honderd jaar.” Ook Jan Bokhorst van Gaia Bodemonderzoek ziet de achteruitgang, bijvoorbeeld op zand-, zwavel- en kleigronden. “Het bodemleven neemt er af en de grond verdicht. Bij een zomerse regenbui staan overal grote  waterplassen.”

Schralere bodems leveren minder gezond voedsel

Wat volgens mij lang niet alle Nederlanders weten is dat de verschralende bodem ook zijn uitwerking heeft op de voedingswaarde van de geproduceerde groenten. “Uit onderzoek van de Consumentenbond in 2005 bleek dat het vitamine C-gehalte van een aantal groentesoorten zestig procent lager was dan voorheen. Omdat biologisch geteelde voedingsmiddelen een betere, lees gezondere natuurlijkere bodem hebben, hebben biologische groenten kwalitatief betere en hogere vitaminen- en mineralengehalte (…) Gezond voedsel komt van bodems met veel bodemorganismen die humus produceren als ze genoeg lucht krijgen en geschikt basisvoedsel. Daarvoor is wel een beter bodemgebruik nodig, waarbij langzaam werkende, organische bemesting en zuurstof een belangrijke rol spelen”, lezen we op www.gezondheidenvoeding.nl.

Waarom laten we de bodem verschralen?

Hans Huijbers van ZLTO heeft het antwoord. De huidige regelgeving en het mestoverschot staan compostgebruik in de weg. “Vroeger was compost in de landbouw erg populair. De laatste tijd neemt het gebruik af. Oorzaak is het mestbeleid, dat aan compost het etiket ‘meststof’ hangt. Door dit etiket moeten boeren de mineralen in compost, zoals stikstof en fosfaat, meerekenen in de mestboekhouding.” Omdat aan mineralen een plafond zit, kiezen boeren toch voor dierlijke mest, stelt Huijbers. “Akkerbouwers krijgen dan geld toe, terwijl compost geld kost. Voor mij als melkveehouder geldt: elke kuub mest die ik op mijn eigen land uitrijd, hoef ik niet tegen kosten af te voeren.”

Heeft de overheid dan geen oog voor de bodem?

Dat is nu juist zo vreemd. Iedereen die je spreekt heeft er juist wel oog voor. Het Kabinet onderscheidt in haar Groene Groei visie (maart 2013) acht kansrijke domeinen voor de combinatie van groen en groei. Zij geeft hierbij het volgende aan: ‘In al deze domeinen vormt de bodem de drager voor maatschappelijke activiteiten. Met name bij de domeinen energie, biobased  economy, klimaat, afval, voedsel en water levert de bodem natuurlijk kapitaal in de vorm van producten en diensten zoals biomassa, bouwmaterialen, waterzuivering en nutriëntenkringlopen.’

De Technische Commissie Bodem (TCB) constateert in haar advies ‘De bodem in de bio economie’ (juli 2013) ‘dat er veel ontwikkelingen gaande zijn ter versterking van de circulaire en bio-economie. De effecten op het functioneren van de bodem blijven hierbij nog onderbelicht, ondanks het evidente belang van de bodem als primaire productievoorwaarde voor de biomassavoorziening in een bio-economie’.

In de recente Biomassavisie onderkent het  Kabinet (januari 2016) nogmaals het belang van een gezonde bodem. Als randvoorwaarde voor meer en betere biomassaproductie noemt de visie: ‘Het waarborgen van goed bodembeheer dat is gericht op handhaving van de nutriëntenbalans en het behoud van voldoende organische stof in de bodem’.

Wat moet er gebeuren?

Er zou eigenlijk een aanpassing in de mestwetgeving moeten komen waarbij de bescherming tegen een overschot aan stikstof en fosfaat in de bodem behouden blijft, maar waarbij wel meer ruimte gecreëerd wordt om het oplopend tekort aan effectieve organische stof aan te vullen met organische bodemverbeteraars met een laag fosfaatgehalte, zoals gft-compost.

De recente publicatie van de EU fertiliserregulation welke vertaald moet worden naar de Nederlandse meststoffenwet biedt (onverwacht) aanknopingspunten om dit onderscheid te maken.

Hans Huijbers van ZLTO steunt het idee: “Boeren kunnen uitrekenen hoeveel organische stof jaarlijks verloren gaat. Minimaal dezelfde hoeveelheid zouden ze weer toe moeten voegen. Dat kan onder andere met compost. Rijd eens in de drie of vijf jaar compost uit, en de bodem blijft vruchtbaar. Compost moet het etiket ‘bodemverbeteraar’ krijgen, wat het in feite ook is. De mineralen tellen dan niet mee. Land- en tuinbouworganisaties en gft- en groenafval verwerkers zouden dit gezamenlijk voor elkaar moeten krijgen.”

Hoe kan dit idee in beleid worden omgezet?

Organische bodemverbeteraars zouden onder voorwaarden een honderd procent fosfaatvrijstelling moeten krijgen. Vrijgestelde organische bodemverbeteraars moeten een hoog gehalte effectieve organische stof bevatten en een laag gehalte fosfaat. Bovendien mag geen ‘overdosering’ plaatsvinden. Daarnaast moet de kwaliteit van de organische stof zijn gewaarborgd, waardoor het gebruik veilig is, bijvoorbeeld door het gebruik van een keurmerk.

De overheid zou eigenlijk een richtlijn moeten opstellen vanaf welke verhouding organische stof / fosfaat een bodemverbeteraar wordt vrijgesteld van de mestboekhouding. De NMI publiceert deze informatie (2015):

Mestsoort

Kg effectieve organische stof/ton

Kg fosfaat/ton

Kg effectieve organische stof/kg fosfaat

Drijfmest

Rundvee

45

1,5

30

Vleesvarkens

14

4,7

3

Zeugen

9

4,5

2

Digestaten

Rundvee

32

1,5

21

Vleesvarkens

11

4,6

2

Vaste mest

Leghennen

137

19,5

7

Kippenstrooiselmest

122

24,4

5

Vast fractie   rundveemest

132

4,4

30

Vaste fractie   varkensmest

39

12,4

3

Composten

Gft-compost

201

4,4

46

Groencompost

150

2,9

52

Champost

 

106

3,7

29

Als de richtlijn bijvoorbeeld op veertig zou worden gesteld dan zouden gft-compost en groencompost zijn vrijgesteld. Als deze richtlijn op 25 zou worden gesteld dan valt ook een deel van de rundveemest buiten de mestboekhouding.

Dit jaar vindt de vijfjaarlijkse evaluatie plaats van de Meststoffenwet. Dit is een ideale gelegenheid om het effect te bereiken dat we allemaal willen: meer ruimte voor toepassing van organische bodemverbeteraars voor een duurzaam vruchtbare bodem en daarmee een  gegarandeerde afzetmarkt voor het groeiende aanbod van hoogwaardige compost.

Robert Corijn, Marketing Manager